Death Valley, the second part

Om vanuit Furnace Creek naar Las Vegas – ons einddoel voor deze zesde dag – te komen, moet je het zuidelijke deel van Death Valley verkennen. Geen straf, want de omgeving blijft mooi. Wel gingen we vroeg op pad om de hitte toch nog enigszins proberen te beperken.

Mislukt! Als we om 7.30 uur aan het ontbijt zitten, brandt de zon al in volle glorie. Als we wegrijden bij de ranch besluiten we het dak maar even dicht te laten en vertrekken in zuidelijke richting. Ik weet dat we onderweg een aantal bezienswaardigheden tegenkomen, maar vraag me niet welke wat is (behalve Badwater, die weet ik dan weer wel). Als we de afslag Devil’s Course tegenkomen, gebaar ik Ferry dat ik dat graag wil zien.

“Waarom?”, is zijn simpele vraag. Ik kan hem geen antwoord geven, want mijn reisboekje ligt achtein. We zullen het gewoon vanzelf zien. We begaan een grindweg – oh nee, niet weer, hoor ik Ferry denken – en om ons heen veranderd het landschap in een soort omgeploegde akker. Wat het niet blijkt te zijn… Devil’s Course was ooit een heel groot zoutmeer en na verdamping is hier enkel een grootte zoutvlakte overgebleven. Als je goed luistert, hoor je bij warmte de bovenlaag nog knisperen door het uitzetten. Indrukwekkend!

De volgende bezienswaardigheid is Badwater, de laagstgelegen plek van het westelijke halfrond. Je ziet waterplassen, die in dit gebied zeldzaam zijn. En bovendien is het ook nog eens koud water, iets dat ik nog steeds bizar vindt, als je bedenkt dat het op dat moment al zo’n 40 graden moet zijn. Ook hier vind je weer indrukwekkende zoutvlakten.

Hoe mooi we Death Valley ook vinden, en hoe lang dit ook op ons netvlies zal staan, we zijn enigszins blij wanneer we de vallei verlaten. De hitte is leuk, maar niet voor te lang. Toch ben ik blij dat we dit mooie natuurwonder hebben mogen aanschouwen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *